een beruchte dorpsgenoot:

zeerover claes compaen

Hoe mooi en hoe rustig het ook is in Oostzaan en hoe prettig Pieter en de dorpsjeugd er kunnen spelen, alle kinderen weten dat er altijd één groot gevaar op de loer ligt: een kwaaie zeerover, die rond stapt met een paar geladen pistolen tussen zijn riem gestoken en in gezelschap van drie ongure lijfwachten, die vreemde talen brabbelen en ook zwaar bewapend zijn.

Hij woont in een huis achter de kerk en soms loopt hij zomaar in zijn opzichtige kleren de schoolklas van meester Kas binnen om er de kinderen zwijgend en dreigend aan te kijken, totdat ze zitten te trillen van angst en schietgebedjes doen om die vervaarlijke kerel snel te laten verdwijnen. Op alle wereldzeeën hebben ze voor hem gesidderd en dus hoef je je als jongen niet te schamen, als het klamme zweet je uitbreekt wanneer je oog in oog staat met die bloeddorstige rover. "Pas op of ik roep Compaen", roepen Oostzaanse moeders wel eens dreigend tegen hun kinderen en of ze dat werkelijk durven heeft geen enkel kind afgewacht.

Kerk van Oostzaan
Claes Compaen op de omslag van een boek, dat een Oostzaner schreef over de avonturen van de gevreesde zeerover.

Een jaar voordat Pieter wordt geboren, keert Claes Compaen na zijn rooftochten over de wereldzeeën terug naar het kalme Oostzaan. In amper drie jaar heeft Compaen zich fabelachtig rijk gestolen. Volgens de verhalen althans. Geen enkel schip en geen enkele lading waren veilig voor hem. Zelfs in de Moorse piratennesten aan de Barbarijnse kust bogen ze diep voor hem in het zand en werd zijn naam uitsluitend met het diepste respect uitgesproken. Menig reder en kapitein kan het bloed wel drinken van de Oostzaner zeerover, die een lang spoor van diefstallen heeft getrokken en een lange reeks zakenlieden heeft gedupeerd. Soms hebben kwade schuldeisers nog het lef Claes Compaen in Oostzaan op te zoeken. Ze krijgen geen stuiver en de lijfwachten zorgen er wel voor dat ze weer snel het dorp verlaten. Compaen zegt niet veel, meestal zit hij zwijgend aan de waterkant naar zijn dobber te staren. Niemand in het dorp weet waaraan hij zit te denken en wat er waar is van alle woeste verhalen, die over de zeerover de ronde doen.


Dirk Salomon Rep, de vader van Pieter, en de meeste oudere Oostzaners hebben Claes Compaen nog gekend als een eerbiedwaardige burger, ijverig en spaarzaam, die als kapitein-koopman snel fortuin had gemaakt, op z'n 35-ste was gaan rentenieren om zich verder aan zijn passie voor de vissport te wijden. Al eerder, omstreeks 1620, had hij een eigen huis voor vrouw en kinderen gekocht. Zijn geld had hij belegd in één van de vele kaapvaartmaatschappijen, die na het aflopen van het Twaalf Jarig Bestand vette winsten binnen haalden. Kaapvaart was een lucratieve bezigheid. Wie de benodigde commissiebrieven van de Staten-Generaal hadden weten te krijgen, mocht alle Spaanse schepen en die van Spanje's bondgenoten aanvallen. De buit moest naar Hollandse of Zeeuwse wateren gebracht worden, waar een prijzenhof de verkoop van de buit regelde en het aandeel van de schipper bepaalde. Er werden grove winsten gemaakt, maar tot grote woede kreeg aandeelhouder Compaen kreeg geen cent. Het bleek dat hij was opgelicht, dat zijn kapitaal was verdwenen en dat er een voortijdig einde was gekomen aan zijn rentenierschap. Compaen had daarop zijn hengel opgeborgen, was naar Medemblik gegaan, had er van de weduwe van Gerrit Pietersz het schip, de "Walta" gekocht en was de zee opgegaan.

Wat er daarna allemaal gebeurd is, weet niemand precies, maar dat niets ervan het daglicht kan verdragen is duidelijk. Pas in 1659, als Pieter Dircksz Rep ondertussen 29 jaar is en Compaen alweer 30 jaar in Oostzaan woont, verschijnen Compaens avonturen in boekvorm, "gedruct by een Liefhebber van alle nieuwricheden 1659". Eindelijk kunnen de Oostzaners lezen "hoe hy met weynich schepen de zee onveylich gemaeckt, een ongelooffelycken Buyt en een groot ghetal van schepen van alle landen gerooft en afgeloopen heeft". Wie de avonturen opgetekend heeft en uit wiens mond is niet bekend, maar Soeteboom, schoolmeester in Oostzaan, wordt er voor aangekeken.

Compaen heeft onmiddellijk na het uitvaren van de "Walta" de bijbel en de boekhouding overboord gegooid om zijn bemanning duidelijk te maken wat de bedoeling is: geen respectabele kaapvaart, maar ordinaire zeeroverij! Binnen drie jaar maakt hij een kleine 300 schepen buit. Hij kent zelfs geen pardon als hij op zijn rooftochten zijn buurman Jacob Quick overmeestert. Hij zet hem en zijn bemanning ergens aan land en eigent zich het schip toe.

Na drie jaar begint Compaen begint naar huis en hengel te verlangen, maar hij betwijfelt of een zeerover zoals hij voor een pardon van de Staten-Generaal in aanmerking komt. De hoge heren van de Staten-Generaal in Holland hoeven evenwel niet lang na te denken als Compaens verzoek hen bereikt. Ze hebben Compaen liever als vriend dan als vijand. Maar voordat de zeerover naar Oostzaan terugkeert, handelt hij zijn zaken af. Het schip van Jacob Quick, ter waarde van 50.000 gulden, schenkt hij aan één van zijn handlangers, de zeerover Jan Jansz uit Haarlem. De gouverneur van Salé, van wie hij nog 50.000 gulden tegoed heeft, nodigt hij aan boord voor een etentje en gijzelt hem bij het dessert, tot hij wil betalen. Als dat eindelijk gebeurd is, en de gouverneur met een paar saluutschoten aan wal gezet is, vertrekken Compaen en zijn mannen naar Nederland.

Zeeroversnest Salé
Het piratennest Salé aan de Noordafrikaanse kust, waar Compaen een thuisbasis had.

Eenmaal in Nederland reist hij naar Den Haag reist om er een voetval "voor den Prince van Orangien" te doen en hem in aanwezigheid van de hoge heren van de Staten Generaal te bedanken voor het verleende pardon. Compaen heeft voor dat pardon 1.400 gulden moeten betalen, plus onkosten, maar dat zijn bedragen die in het niet vallen bij de buit, die Compaen bij elkaar heeft geroofd.
Daarom kan Compaen de prins royaal een "goede party aangemunt goud" aanbieden, maar de vorst blijkt niet gesteld te zijn op gestolen goed. Daarna vertrekt Compaen, in gezelschap van drie oude getrouwen (twee Friezen en een Fransman) naar Oostzaan, waar niemand, ook vrouw en kinderen niet, had verwacht hem ooit levend terug te zien.

Compaen sterft in 1660. De dorpskinderen halen opgelucht adem en als de zeerover voorgoed onder de groene zoden ligt, durven zelfs uitdagend bij het touwtje springen te zingen:
De rover Klaas Kompaan
Heeft op den Oceaan
Zichzelven rijk gestolen
Maar in zijn ouderdom
Behoeftig mak en krom
Moest hij om 't brood noch doolen
Gestoolen goed bedijd niet
Een goed gemoed benijd niet.

De moraal is fraai, maar niet naar de waarheid. Compaen heeft tot zijn dood als een vorst geleefd en heeft zich als een vorst laten begraven in de Oostzaner kerk. Daar is tot op de dag van vandaag geen fraaiere grafsteen te vinden dan die van Claes Gerritsz Compaen. En waar Compaens fabelachtige schat gebleven is?

 

 


C. Johan Kievit schreef een spannend jongensboek over Claes Compaen, dat ik destijds met rode oortjes heb verslonden.



















Zo zag illustrator Eelco ten Harmsen van der Beek de zeerover Claes Compaen aan boord van zijn piratenschip.